Een goed ontwerp is het halve werk

Aan de wieg van een geslaagde dakopbouw staat een goed ontwerp. En daarvoor heb je een architect nodig. Veldhuizen Dakopbouwen werkt samen met een aantal vaste partners, onder wie Sjoerd van Tuinen en Ronald Willemsen van het Utrechtse architectenbureau ASNOVA architecture. Ronald is er al vanaf het eerste uur bij.

Het eerste uur – wanneer was dat?

‘Dat was in 2007, bij Geerts allereerste dakopbouw in de Koekoekstraat. Het was een project van een projectontwikkelaar, dus onze relatie was heel anders dan bij een particulier project, maar daar is het wel begonnen.’

Hoe was het om met Geert te werken?

‘Het is natuurlijk al lang geleden, maar hij leverde het project heel netjes op, dat weet ik nog. Een tijdje later kwam ik hem opnieuw tegen bij een ander groot project. Dat dreigde in de soep te lopen doordat er veel te veel mensen bij betrokken waren – Geert heeft dat project echt gered door de leiding te nemen. Daarna hebben we contact gehouden. Ik heb zelfs de verbouwing van zijn eigen huis mogen doen.’

Waardoor klikt het tussen jullie?

‘Het leukste aan mijn werk vind ik de persoonlijke noot. Als ik een jong stel kan helpen om een moeilijke vergunning te krijgen, dan begint mijn sociale hart te kloppen. Geert heeft dat ook. Die wil ontzorgen, zijn klanten een compleet pakket aanbieden. Dat is zijn kracht. En omdat-ie weet dat-ie niet alles van dat complete pakket zélf kan doen, werkt-ie samen met andere partijen. Zoals ASNOVA.’

Waar let je op als je een dakopbouw ontwerpt?

‘Ik vind het belangrijk dat ik niet steeds dezelfde dakopbouw ontwerp. Dat is voor mij uitgangspunt nummer één. Maar belangrijker is natuurlijk het bestemmingsplan. Dat is je eikpunt, en wat ons betreft zeker niet het eindpunt – we proberen altijd alles uit de opbouw te halen wat ook maar enigszins mogelijk is. Verder kijk ik naar het pand zelf en de omgeving. In welke stijl is het huis gebouwd? Zijn er andere huizen in de straat met een dakopbouw? Zo ja, hoe zien die eruit? Pas dan kun je echt gaan ontwerpen.’

Wat is de mooiste dakopbouw die je ooit hebt gemaakt?

‘De allermooiste staat op de Springweg, boven op speelgoedwinkel Pim’s Olifant. Die slaapkamers heb ik een heel mooie maat gegeven, en er zit een prachtig trappenhuis in.’

Vinden Geert en jij dezelfde ontwerpen mooi?

‘Niet per se. Ik zoek bijvoorbeeld graag het contrast op tussen de bestaande bouw en dat wat je erbovenop zet, terwijl Geert juist probeert de dakopbouw zo natuurlijk mogelijk af te werken. Maar dat is niet erg – daar ligt juist de uitdaging in onze samenwerking. Dat maakt het leuk.’

Is dat voor jou gelijk ook de grootste uitdaging bij het ontwerpen van een dakopbouw?

‘Nee, in de stad is de grootste uitdaging de ruimte die je tot je beschikking hebt. Of eigenlijk: het gebrek eraan. Utrecht groeit – de verwachting is dat de stad in 2040 zo’n 425.000 inwoners heeft. Nu zijn dat er ongeveer 344.000, dus er zullen tienduizenden woningen moeten worden gerealiseerd. Die passen natuurlijk niet allemaal in Leidsche Rijn, dus de ruimte moet ergens anders vandaan komen. Waarom zou je dan niet de lucht in gaan? In de binnenstad is niet iedereen er een voorstander van, omdat je door al die hoge gebouwen de Dom niet meer zou kunnen zien, maar dat vind ik flauwekul. Ook in de binnenstad is er ruimte. Kijk maar naar Amsterdam: daar beginnen de huizen bij vier of vijf lagen. In Utrecht blijven we steken bij hooguit drie lagen.’

Is de hoogte in dan de enige oplossing?

‘Zeker niet! Er zijn ook genoeg architecten die zich bezighouden met andere woonvormen, zoals tiny houses. Maar ook daarin kun je out of the box denken. Ik wil bijvoorbeeld al heel lang een tiny house op een bedrijfspand bouwen. Als die er ooit komt, wil ik dat Geert hem maakt. Dan weet ik zeker dat-ie goed doordacht is. Ons pand leent zich wel voor een pilotproject!’